Het werken met een uitgebreid pakket als Photoshop gaat vaak gepaard met ingesleten gewoontes. Je hebt ooit geleerd dat je de dingen in een bepaalde volgorde moet doen, dus doe je dat. En daar is niets mis mee, ware het niet dat sommige gewoontes gewoonweg niet waar zijn. Maar hoe kom je daar achter? Door het met je eigen ogen vast te stellen, bij voorkeur!
Sinds een jaar of tien werk ik met Photoshop. Het is niet toevallig dat dat samenvalt met de overgang naar digitaal fotograferen, want in de analoge tijd heb ik nooit de moeite genomen om dia's of negatieven te scannen en te bewerken op een computer.
Maar een digitaal gemaakte foto moet ook digitaal bewerkt worden, en via-via kwam Photoshop 7 op mijn computer terecht. Een tijd van veel leren en klungelen brak aan. Iedereen die met Photoshop werkt zal zich die eerste stapjes wel herinneren: Het is meer vallen dan opstaan. Je verdwaalt in de menu's, gebruikt veel te veel filters die je foto omtoveren tot een heus gedrocht en na vijf handelingen weet je helemaal niet meer waar je mee bezig bent.
Al snel ontdekte ik dat je er maar beter een vaste manier van werken op na kunt houden, een workflow dus. Zo'n workflow is voor iedereen anders, maar bepaalde dingen horen in dezelfde volgorde, zo beweerden veel websites over Photoshop. Zo bewaar je bijvoorbeeld de verscherping voor het laatst, want dat is beter. Bewerken is in feite pixels vernaggelen en vernietigen, en veel van die workflow-regels zijn bedoeld om de destructie zo beperkt mogelijk te houden.

Een van de wetten van de workflow betreft het opslaan als Jpeg. Ik leerde dat je dat maar één keer moet doen (op het laatst dus), en dat je tussenresultaten beter in Photoshops eigen .PSD formaat kunt bewaren. Een JPG opnieuw opslaan leidt tot een mindere kwaliteit, met ondermeer de beruchte Jpeg-artefacten als resultaat. Op internet kun je heel wat artikelen vinden met voorbeelden van door artefacten verprutste foto's. Dus heb ik me altijd netjes aan die regel gehouden.
Maar af en toe gaat het toch mis, en moet ik een bewerkte foto opnieuw openen. De koude rillingen krijg ik daarvan, wetende dat een Jpeg die opnieuw moet worden opgeslagen onherroepelijk aan kwaliteit verliest. Onlangs was het weer eens zover, en ik moest een opgeslagen Jpeg heropenen.
Na het bewerken en opnieuw opslaan vergeleek ik beide versies eens goed en ik kon geen kwaliteitsverschil ontdekken. En de bestandsgrootte bleek ook identiek. Vreemd. Zou het herhaaldelijk opslaan als Jpeg in dezelfde compressie dan toch geen kwaad kunnen? Had ik me al die jaren voor niets in bochten gewrongen om de kwaliteit zo hoog mogelijk te houden? Was hier sprake van een Photoshop-sprookje?
Meten is weten
Omdat meten nog altijd gelijk staat aan weten heb ik een uitgebreide serie tests uitgevoerd.
Je kunt die test zelf uitvoeren, het recept geef ik onderaan het artikel. Maar nu eerst mijn bevindingen, gebaseerd op de uitkomsten bij drie verschillende foto's:
Op het oog, ingezoomd tot 100 procent, constateer ik geen enkel verschil tussen de opgeslagen versies. Ook de bestandsgrootte verandert niet of nauwelijks. Dat nauwelijks heeft waarschijnlijk te maken met de kleine bewerkingen die ik heb gedaan om zeker te weten dat Photoshop de foto daadwerkelijk opnieuw opslaat. Het bestand wordt in ieder geval nooit kleiner, en er wordt dus geen nieuwe compressie uitgevoerd.
De analyse met behulp van de overvloeimodus
Verschil levert een egaal zwart vlak op, op het bewerkte gebiedje na. Ik zou de resultaten hier als illustratie op kunnen nemen, maar je ziet geen verschil en een zwart vlak lijkt me ook niet bijster interessant om naar te kijken.
De conclusie is dus verrassend: Het maakt niets uit hoe vaak je een Jpeg die met een bepaalde compressie is bewaard daarna weer op diezelfde stand opslaat. De Jpeg-compressie wordt slechts één keer gedaan en dus wordt de kwaliteit van je foto niet minder.
Daar horen wel een paar kanttekeningen bij:
1. De tests zijn uitgevoerd op foto's in de volle resolutie. Als je een foto hebt opgeslagen als JPG en hem daarna opent, verkleint en dan weer opslaat zul je wél kwaliteitsverlies zien. Door het verkleinen worden natuurlijk pixels weggegooid. Het is de moeite waard om uit te zoeken of de volgorde iets uitmaakt: eerst verkleinen en dan opslaan als JPG, of eerst opslaan en dan verkleinen. Dat is iets voor een volgende test.
2. Hoewel ik alleen heb getest met de optie
Opslaan als... zou dit voor
Opslaan voor web... ook moeten werken. Zolang je maar dezelfde compressiewaardes gebruikt als bij de eerste opslag.
3. Voor alle duidelijkheid: dit gaat alleen op voor het herhaald opslaan met dezelfde compressie, dus dezelfde waarde voor de kwaliteit. Natuurlijk wordt er meer compressie uitgevoerd als je de waarde verlaagt.
Zelf testen
Hier het recept dat ik gebruikte:
- Zoek een foto met een combinatie van fijne details, egale vlakken en scherpe overgangen. De visuele toets doe je op deze drie gebieden. Neem bij voorkeur een kleurenfoto, rechtstreeks uit je camera;
- Open de foto in Photoshop;
- Voer een kleine lokale bewerking uit op een deel van de foto dat niet interessant is voor de visuele vergelijking. Kloon bijvoorbeeld een klein gebiedje óf voer een globale bewerking uit, bijvoorbeeld door de belichting een halve stop te verlagen. Bij de volgende versie hef je de bewerking op door de belichting een halve stop te verhogen.
- Sla de foto op (Opslaan als JPG...) en voer een waarde in naar keuze. Ik heb getest met 12, 9 en 3. Geef de foto een logische naam, met het nummer van de versie erin (bijvoorbeeld testfoto1, testfoto2, et cetera).
- Sluit de foto.
- Open de zojuist opgeslagen foto opnieuw en begin weer bij stap 1. Herhaal dit vier keer zodat je vijf versies van je foto hebt.
Noot: kies bij stap 3 voor één van de twee opties. Als je voor de lokale bewerking kiest dan heeft een objectieve controle geen zin, bij de aanpassing van belichting kan dit wel.
De controle
Kijk in Bridge (of de Finder/Verkenner of een ander programma waar je je foto's in catalogiseert) naar de verschillende versies en let op de bestandsgrootte: die zal bij alle versies vrijwel hetzelfde zijn.
Open testfoto 1 en testfoto 5 in Photoshop. Let op dat je, je verschillende belichtingsaanpassingen hebt gedaan, je de foto's opent met dezelfde belichting. Voor de visuele controle selecteer je testfoto 5 en plakt die in testfoto 1. Er ontstaat een aparte laag. Zoom in op een gedeelte dat je wilt bekijken en klik het oogje voor de bovenste laag uit en aan. Je zou geen verschil moeten kunnen ontdekken.
Voor de objectieve controle klik je op de bovenste laag (die met testfoto 5 erin dus) en kies je als overvloeimodus
Verschil (Difference). De foto verandert in een egaal zwart vlak. Maak een aanpassingslaag
Niveaus (Levels) Als het goed is ziet je lagenpalet er dan uit zoals dit:

Kijk dan naar het histogram in het palet Aanpassingslagen.
Je ziet het volgende:

Het dunne lijntje helemaal links in het histogram betekent dat er alleen pure zwarten in de afbeelding aanwezig zijn. De modus Verschil berekent het verschil per pixel en geeft dat weer. Waar zwart verschijnt zit er geen verschil tussen de pixels in beide lagen. Als pixels onderling verschillen is het resultaat niet zwart. Door deze meting kun je dus vaststellen of er pixels zijn veranderd.
 |
|
Over de auteur; Cas van der Voorn Cas is eigenaar van Infoholix dat websites bouwt die de eigenaar zelf eenvoudig kan beheren. Ook is hij oprichter van Fotoholix.nl, een besloten foto-community waar gevorderde fotografen hun foto's, kennis en ervaringen delen.
|